Anno 1954 – 1965
Ik kom uit Soestdijk, een dorp met een mooi oud stationnetje, waar in de jaren vijftig een boemeltje reed tussen Utrecht en Baarn. Achter de lagere school, waar ik opzat, lag het speelplein dat uitkeek op het perron aan het enkelspoor. Wanneer de trein in aantocht was, hoorden we de cadans, gevolgd door het volle geluid van de stoomfluit en bij het binnenrijden van het station kwam er een dikke witte stoomwolk uit de schoorsteen van de locomotief.. Met een heel stel kinderen renden we naar het hek achter op het schoolplein, vanwaar we het perron konden overzien, dat een stuk lager lag.
De conducteur stapte het eerst uit. Daarna de reizigers… De eerste klasse reizigers zagen er deftig uit. De gewone burgermensen zoals wij, reisden tweede klasse en leken altijd meer haast te hebben. De coupés in de tweede klasse waren sober gestoffeerd, in iets dat grijs/groen van kleur was. Verder was er ook nog een derde klas, daar zat je op harde houten banken en dat was de goedkoopste manier van reizen. Ik had wel eens door het deurtje vanuit de tweede naar de eerste klasse gekeken; daar waren de banken bekleed met rode pluche dat er mooi en uitnodigend uitzag.
Zo jong als ik was, verlangde ik ernaar ooit een keer in zo’n eerste klasse coupé te mogen reizen. In mijn verbeelding zag de wereld er mooier uit, als ik van daaruit naar buiten keek. Mijn vader was een nuchtere man, die mij voorhield dat
het niet uitmaakte of je door het ene raampje naar buiten keek of door het andere. Het uitzicht zou precies hetzelfde zijn. Dat voelde ik anders. Het duurde nog jaren, voordat ik het ging uitproberen. De trein bleek niet meer het vriendelijke boemeltje met de schilderachtige inrichting van vroeger te zijn. De derde klas, met de houten banken bestond niet meer. Toen ik na al die jaren in de eerste klasse plaatsnam, voelde ik niet meer de betovering van vroeger… De romantiek van het boemeltje met de stoomfluit was verdwenen.
Ik liet de trein uit mijn herinnering los en bedacht iets anders. Zodra ik mijn salaris zou krijgen en ik een weekend bij mijn ouders in Soestdijk zou gaan doorbrengen, zou ik niet door weer en wind op de fiets naar het station gaan, maar ik zou een taxi nemen. In plaats van verpieterd aankomen, wat mij nogal eens overkwam, wilde ik nu eens een keer keurig verzorgd en damesachtig mijn entree maken. Dat lukte! Waar het in Doetinchem regenachtig was, bleek het in Soestdijk droog te zijn met weinig wind. De wandeling in de frisse lucht vanaf het station maakte dat ik er fleurig uitzag en even voelde dat goed.
Toch was ik niet blij. Het gebruik van de taxi had ik voor me moeten houden, want dat werd mij nog lang nagedragen. De conclusie was dat ik niet met geld kon omgaan, omdat ik dat op een zo onverantwoorde wijze over de balk had gegooid.
Zelf zag ik dat anders. Ik had iets willen meemaken en dat had ik gedaan. Het was maar iets kleins, vond ik zelf en ik begreep niet waarom dat zo erg was.
Toen kwam de dag dat mijn collega Helga en ik een dagje naar Amsterdam wilden. Dat was vanuit Doetinchem een lange reis met enkele overstappunten. Helga en ik overlegden hoe we dat het beste konden aanpakken en besloten dat we zouden gaan liften. Dat vertelden wij natuurlijk niet aan onze ouders. Helga’s broer zou ons afzetten bij de snelweg.
We stonden er nog maar pas toen er een grote Citroen stopte en een vriendelijke heer ons vroeg wat ons reisdoel was. Vrolijk legden we uit dat we naar Amsterdam wilden en dat kwam goed uit, want deze heer was onderweg naar Amsterdam. Wij mochten achterin de wagen gaan zitten, die bij het wegrijden wat omhoog kwam. Het fijnste was dat we zonder veel verlies van reistijd, meer tijd in Amsterdam konden doorbrengen. Onderweg wilde de heer weten wat ons had bewogen om te gaan liften. Hij vertelde dat hij drie dochters had en dat hij het niet prettig zou vinden als zij op deze wijze zouden reizen. Hij wees ons op de gevaren en bood zelfs aan een treinkaartje voor ons te bekostigen voor de terugreis.
Terugkijkend vind ik dat heel aardig en zorgzaam, maar toen vonden wij, amper volwassen jonge vrouwen, dat we als een stelletje pubers werden behandeld en wij bedankten hem en stapten zo gauw mogelijk uit.
We hadden een geweldige dag, die we graag wilden herhalen. Helaas is dat er niet meer van gekomen. Het werk en het leven gingen door. Helga solliciteerde bij een ziekenhuis in Rotterdam en op den duur verwaterde onze vriendschap door gebrek aan voldoende vrije tijd.
Het volgende bedenksel van verplaatsen was dat ik wilde gaan zweefvliegen. Ik had een collega die dat deed en ik zou een keer met haar meegaan om te kijken of het ook iets voor mij was.
Toen het zover was, kon het niet doorgaan, omdat ze een vliegongeluk had gehad, waarbij haar enkel was gebroken. Ik was heel blij dat ze verder nog heel was, maar zag dit toch als een teken dat ik beter iets anders kon zoeken.
Nu houd ik het maar bij auto’s. Ik heb een speciaal gevoel voor oudere modellen en dan heeft waarschijnlijk te maken met mijn hang naar romantiek…


Geef een reactie