Mijn vader geloofde mij

Anno 1962
Gewoonlijk fietste ik vanuit Soestdijk, waar ik destijds woonde,
via de Amsterdamsestraatweg langs paleis Soestdijk naar de
MULO in Baarn.
De voorgaande jaren fietsten we meestal met een groep naar
Baarn; maar omdat mijn broer na zijn examen elders in opleiding
was gegaan en mijn vriendin had besloten dat ze liever op een
kantoor ging werken, bleef ik alleen over.
Dat betekende dat ik dat laatste jaar alleen moest fietsen.
In het begin vond ik dat helemaal niet erg, want dan kon ik mijn
eigen tempo aanhouden en mijn gedachten de vrije loop laten.
Op een dag merkte ik een motorrijder op, die op de rijweg
hetzelfde tempo aanhield als ik op het fietspad.
Ik keek weer voor me en dacht er verder niet bij na.
Enkele dagen later was hij er weer en weer volgde hij me met de
motorfiets, wat ik niet prettig vond en raar.
Eenmaal thuis vertelde ik het tegen mijn moeder, maar ze
geloofde mij niet en negeerde het verder.
Sindsdien zag ik hem vaker, maar zolang hij op de weg reed en ik
op het fietspad, maakte ik me geen zorgen.
Soms, als het mooi weer was, zag ik prinses Marijke fietsen met
een beveiliger op korte afstand achter haar.
Ik reed haar voorbij en zorgde dat ik in het zicht bleef.
Dan voelde ik mij beschermd.
Op een keer, toen de prinses niet op de fiets was, werd ik op het
fietspad gevolgd door een bromfiets.
De man reed met zijn voorwiel evenwijdig aan mijn achterwiel.
Gelukkig was er op dat moment veel verkeer, maar hij maakte me
bang.
Ik keek om en wilde hem voorbij laten gaan, maar dat deed hij
niet; hij staarde mij aan zonder iets te zeggen en bleef met zijn
voorwiel bij mijn achterwiel.
Toen ik thuis kwam vertelde ik het tegen mijn moeder:
“Mam, volgens mij heb ik die man gezien die op de motor telkens
met mij mee rijdt. Hij was nu met een brommer en hij rijdt met
zijn voorwiel naast mijn achterwiel.”
“Ja, het zal wel… Je hebt geen zin om alleen naar school te
fietsen en nu verzin je telkens een ander smoesje.
Eerst is er een man op een motorfiets en omdat je toch fietsen
moet, kom je nu met het verhaal dat hij op een bromfiets zit.”
Mijn moeder geloofde mij niet.
Inmiddels werd ik bijna dagelijks gevolgd, soms met de motorfiets
en soms met de brommer.
Als hij op de motor was vond ik het akelig en als hij met de
bromfiets was voelde ik me angstig, maar toen ik hem na een
paar dagen opeens niet zag raakte ik in paniek, want toen was ik
ervan overtuigd dat hij me op een stil plekje zou opwachten..
Die keer ben ik omgedraaid en naar huis gefietst.
Tegen mijn moeder zei ik dat ik buikpijn had.
Ik probeerde haar nog eens uit te leggen wat er onderweg
gebeurde, maar ze wilde mij nog steeds niet geloven en ik mocht
mijn vader niet met die onzin lastig vallen van haar.
Mijn vader was niet vaak thuis.
Hij was accountant en in die tijd bezocht hij veel van zijn klanten
aan huis om de boekhouding bij te werken.
Ik ging stiekem naar zijn kantoor waar meestal alleen zijn
secretaresse aanwezig was en zij wilde mijn vader wel vragen om
met mij te praten.
Toen hij thuis kwam nam hij mij apart.
“Ik hoor dat jij mij wat wilt vertellen,” zei hij.
“Pap, als ik naar school fiets, zie ik een motorrijder die een heel
eind met mij meerijdt. Hij rijdt zachtjes, zodat hij de hele weg
naast mij rijdt. En als hij niet op de motor is, komt hij met de
bromfiets en dan rijdt hij op het fietspad met zijn voorwiel naast
mijn achterwiel en dat vind ik eng.”
“Waarom heb je dat niet tegen mama gezegd?”
“Mama denkt dat ik smoesjes vertel omdat ik niet wil fietsen;
maar ik wil best fietsen, maar ik vind die man eng.”
Mijn vader begreep dat ik bang was, maar benadrukte dat ik de
volgende dag toch met de fiets naar school moest.
“Lieve kind, je hoeft niet bang te zijn, want ik ben in de buurt.”
De volgende dag was die man er weer en deze keer was hij met de
motor.
Mijn vader heeft die dag gezien en begrepen dat er iets aan de
hand was dat niet klopte.
Wat hij zag heeft hem doen besluiten mij de rest van het
schooljaar met de auto naar school te brengen.
Meermalen reed die man ons voorbij op de motor wanneer ik bij
mijn vader in de auto zat.
Als hij voor ons reed draaide hij zich om en keek naar mij.
Mijn vader vond het zo bedreigend dat ik niet meer buiten op hem
mocht wachten, maar in school moest blijven tot hij voor de deur
stond.
Ik ben mijn vader nog steeds dankbaar.
Mijn moeder was boos.
Ze vond dat mijn vader mij verwende met al die gezellige
autoritjes.


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *