Kerstverhaal

Anno 1979

Boven ons hoofd ratelen de pannen van het dak af, om kapot te slaan op de bevroren grond.
De wind giert angstaanjagend over het Friese land en fluitend rond de boerderij.
Met een krakend geluid komt een dikke tak los van de boom die voor het huis staat en raakt de grond zonder schade aan te richten.
We liggen met ons vieren, mijn vader Simon, moeder Pien en mijn zusje Lieke op een grote zolderkamer onder een schuin rood pannendak.
Omke Fedde, in zijn gestreepte flanel, steekt zijn hoofd om de hoek van de slaapkamerdeur en roept:
“Simon, morgen moeten we nieuwe pannen op het dak leggen. Die kapotte kunnen weg en dat is een mooi karweitje waarbij onze kinderen kunnen helpen.”
Met onze kinderen bedoelt hij mij. Hij trekt de deur dicht en maakt dat ie in zijn warme bed komt.

We schrijven 1979. We leven in onzekere tijden.
Er is een oliecrisis in het land en bij ons, in het oosten, is bovendien een grote stroomstoring.
We zaten in de kou en het was een opluchting toen omke Fedde belde dat we deze kerstvakantie maar naar Friesland moesten komen om bij hem en tante Fiene te logeren.

We logeren wel vaker in Friesland, maar dat is altijd in de zomer.
Het is zo mooi daar. Omke neemt mij vaak mee op de trekker en dan roept hij: “Winston, jij moet later maar boer worden! Hoe lijkt je dat?”
Toen wist ik nog niet wat ik later wilde worden, maar het was fijn om met Omke mee te gaan als hij de koeien ging melken.
De overall die ik aankreeg vond ik best wel stoer en ik loop steeds beter op klompen.

De ochtend na de stormnacht is de wind gaan liggen.
Buiten is het nog donker als we aan het ontbijt zitten. Omke Fedde overlegt met vader hoe ze het beste te werk kunnen gaan met de dakpannen en omke betrekt mij daarbij met de opmerking dat ik, met mijn bijna twaalf jaar, een flinke kerel ben die al aardig wat in de mouwen heeft.
Stiekem trots span ik mijn spieren aan.
Omke Fedde, die tegenover mij zit, heeft het in de gaten en geeft mij een knipoog.

Tante Fiene en mijn moeder ruimen de tafel leeg en dat is het teken dat wij verdwijnen moeten, want de moeders gaan de laatste hand leggen aan de kerstkleertjes voor de meisjes.

Buiten wil ik laten zien hoe sterk ik ben.
Omke Fedde en vader komen elk met een kruiwagen aan en ik wil gelijk panne-scherven rapen.
Omke Fedde neemt de leiding: “Wacht even Winston, het is het handigste als jij eerst die dikke boomtak naar achteren sleept.” Hij knikt naar de zware tak die een deel van de pannen bedekt.
“Ja omke,” Ik strek me en span een paar maal mijn spieren aan en probeer de tak weg te trekken, die voor een groot deel tussen de pannen ligt.
Lachend schudt Fedde zijn hoofd en pakt samen met mij de tak bij het dikke uiteinde vast.
Een paar rukken en dan trekken we hem los tussen de pannen uit.
“Nou red je het wel jongen!”
De mannen rapen met een vaart de kruiwagens vol terwijl ik moeizaam de tak naar achteren sleep.
Als ik de tak op zijn plaats heb gebracht, zijn de kruiwagens geleegd en lopen we met ons drieën naar de voorkant van het huis om de volgende lading brokstukken te rapen. Nu de dikke tak weg is, kunnen we er veel beter bij en ik probeer het tempo van omke bij te benen.
De volle kruiwagens worden door vader en omke om beurten naar achteren gebracht omdat zo’n kruiwagen loodzwaar is.
Ik kijk een beetje spijtig als er weer een wordt weggereden, maar vader zegt dat mijn beurt nog wel komt als ik wat ouder ben.
Als de scherven opgeruimd zijn worden de vervangende pannen achter uit de schuur gehaald.
“Wat veel dakpannen staan hier!” zeg ik verbaasd en kijk vragend naar omke.
“Weet je Winston, als er in onze streek een hooischuur of een boerderij wordt afgebroken, of ook als alleen een dak moet worden vernieuwd, dan zorg ik dat ik er als eerste bij ben om de oude pannen te kopen.
Als ik geen pannen meer kan vinden, moet ik nieuwe kopen en zoveel geld heeft jouw omke Fedde niet…”
Hij grijnst plagend: “Dan ga ik naar je vader en dan vraag ik het aan hem. Dan krijg jij natuurlijk een tijdje geen zakgeld, maar dat vind je toch niet erg?”
“Nou, omke, dat is wel erg, want ik heb ook kosten!”

Vader en oom schieten luidkeels in de lach en omke slaat vader op zijn schouder en zegt: “Simon, jij hebt die jongen verstandig opgevoed! Die laat zich geen oor aannaaien!”

Dakpannen leggen is een secuur werk.
Vader vindt het goed voor mij om daarbij te zijn.
“Van wat je hier leert word je wijzer, jongen.” zegt hij.
We zijn bijna halverwege als tante Fiene ons binnenroept.
Er is koffie met Friese koek en suikerbrood.

Als het werk om huis gedaan is, komt het mooiste.
Vader en ik gaan mee op de tractor om in het sparrenbosje, achter op het land, een kerstboom uit te zoeken.
Thuis hebben we altijd een kleintje.
Omke Fedde wijst echter op een boom die minstens tweeëneenhalve meter hoog is, en vraagt wat vader en ik ervan vinden.
“Hij is groot!” zeg ik.
Vader lacht: “Vroeger bij ons thuis, toen Pake en Beppe nog leefden, hadden we altijd zo’n grote boom!”
“Weet je nog Fedde, die keer dat onze heit een boom omzaagde en dat die niet door de deur heen kon?” vraagt Simon.
“Ja, dat was de eerste keer dat we buiten ook een boom hadden!” zegt hij.
Vader wijst op de zilverspar die in het gazon staat.
“Gaan daar ook lichtjes in?”
“Zeker!” beaamt Fedde. “Laten we die eerst maar doen, voordat het donker is. De gordijnen blijven open en dat staat zo feestelijk! Ik hou er zo van, van de Kerstijd.”
Het is te merken dat Fedde dat mooi vindt, want hij heeft alles prima op orde.
In een mum van tijd zitten de lampen in de boom.
Op een paaltje, tussen de takken, zit een stopcontact, zodat de verlichting gemakkelijk te bedienen is.

De kerstboom uit het sparrenbosje wordt afgezaagd, en in de schuur maakt Fedde er een houten kruis onder, zodat hij mooi rechtop blijft staan.
Tante Fiene heeft de open haard aangemaakt en daarnaast een kleed neergelegd waar de boom op moet komen.

Omke Fedde hangt de lichtjes erin en laat ze branden. Voor elk van de hoge schuiframen komt een verlichte ster te hangen en de rest van de kamer wordt verlicht met een paar schemerlampjes.
Omdat de moeders al snel klaar waren met de kerstkleertjes, bleef er tijd over om met de meisjes te gaan knutselen.
Vooral mijn moeder, Pien, kan dat goed; want vroeger was  ze kleuterjuf.
Samen met de meisjes heeft ze lange kleurige slingers gemaakt, van strips geknipt uit stevig papier.
Ze heeft sterren en engeltjes getekend die de meisjes mogen uitknippen, waarna ze er plaksel op smeren en er glitters over strooien…
De meisjes zijn met hoogrode wangen aan het ‘werk’ en  trots omdat het zo mooi wordt.
Omke heeft een doos kerstballen van zolder gehaald en ieder die wil mag helpen de boom te versieren.
De dag vliegt voorbij; die avond moeten de meisjes bijtijds naar bed.
Morgenavond is het kerstavond en dan mogen alle kinderen langer opblijven…

Ik kijk uit naar het feest van de volgende dag.
Bij ons thuis krijgen we met kerst warme chocolademelk met een plakje van de tulband die mijn moeder heeft gebakken en er staan suiker- en amandelkransjes op tafel. Het lekkerste zijn de chocoladekransjes, daar ben ik dol op.
Hoe het bij tante Fiene zal gaan? Vader moest lachen toen ik wilde weten of we ‘ons kerstfeest’ hadden meegebracht…
“Wacht maar af, het komt heus goed! Laat dat maar aan tante Fiene en omke Fedde over!”

De volgende morgen worden we verrast met een flink pak sneeuw. Vanaf de boerderij kun je heel ver weg kijken en het is een prachtig gezicht! Zo’n enorm sneeuwveld heb ik nog nooit gezien!
Ik mag omke en vader helpen om voldoende hout achter onder het afdak te leggen, zodat er de hele kerst gestookt kan worden.
’s Middags haalt omke de grote arrenslee uit de schuur tevoorschijn, waar eigenlijk een paard voor hoort te lopen. Maar bij gebrek aan het juiste schoeisel voor het dier bij deze gladheid, gebruikt omke de trekker.
De moeders en de meisjes nemen plaats in de slee, leunend in zachte kussens en toegedekt met een warme vachtdeken.
Vader en ik klauteren bij omke in de trekker.
Het is opgehouden met sneeuwen.
Het is een prachtige tocht door een betoverende witte wereld.
Aan het einde daarvan gaan lucht en land naadloos in elkaar over.
Thuisgekomen staan de gezichten van de moeders en de meisjes strak van de kou, maar hun ogen schitteren.
De meisjes komen niet uitgepraat over de weliswaar koude, maar sprookjesachtige mooie tocht.

Tante zet een grote pot thee en de warme drank zorgt ervoor dat we weer op temperatuur komen.

Na het avondeten is er warme chocolademelk met een lepel slagroom erop en kerstkransjes, net als thuis.
Daarna komen er spelletjes op tafel.
Vader en omke Fedde gaan schaken en tante wil wel een potje met mij dammen.
Pien speelt met de meisjes. Het is warm en gezellig.
De houtblokken knappen en als er een naar beneden zakt, dansen er vurige vonkjes boven.
Op de achtergrond klinkt kerstmuziek.

Als het spelletje dammen is afgelopen, geeft tante Fiene mij een kleed dat ik over de tafel moet leggen, en dan komt ze met een grote zak pel pinda’s, die ze boven de tafel leeg kiepert.
Iedereen schuift aan en tante legt uit dat we zoveel pinda’s mogen eten als we lusten. We moeten ze wel zelf pellen. Ze zet nog snel een paar bakken en emmers tussen de stoelen waar we de doppen van de pinda’s in moeten gooien.

Voor mij en mijn zusje Lieke is deze manier van pinda’s eten nieuw. Maar we vinden ze heel lekker en het is oergezellig!
De avond vliegt te snel voorbij.
Als het half tien is, moeten de meisjes naar bed.
De kleine Annelies slaapt al half. Ze laten zich zonder protest in bed stoppen.

Mij wacht een verrassing.
Omke Fedde en vader gaan naar de kerstnachtdienst in het dorp en ik mag mee.
Ik ben nooit eerder naar een kerstnachtdienst geweest.
“Gaan we met de trekker?” vraag ik.
“Nee, naar de kerk gaan we met de auto,” zegt omke.
“Of wil je liever gaan slapen?” polst hij.
“Nee hoor, ik dacht dat we dat deden voor de sneeuw.”
“Nee jongen, ga maar gauw wat warms aantrekken, want het kan in de kerk soms behoorlijk koud zijn.

Eenmaal in de kerk kijk ik mijn ogen uit.
Er staat een grote kerstboom en er is een kerststal.
Er zitten rondom kleurige ramen in de kerk en omke legt uit dat die gebrandschilderde ramen allemaal een Bijbelse betekenis hebben.
Het middenschip loopt al gauw vol en ik zou graag rondgaan om alles te bekijken, maar dat gaat nu niet.
Omke belooft mij na de kerst een toeristisch rondje door de kerk te gaan maken.

De temperatuur mag laag zijn, maar de sfeer in de kerk is warm.
Er wordt uit de bijbel verteld, maar ik ben zo afgeleid door alles wat er te zien is, dat het kerstverhaal mij grotendeels ontgaat.
Er is een koor en er worden kerstliederen gezongen.
Het geheel voelt warm en fijn.
Na de dienst drommen de mensen naar buiten.
Goede wensen klinken aan alle kanten.
Omke kent veel van die mensen en ik hoor hem met sommigen van hen praten in het Fries.

Eindelijk zijn we bij de auto. Het heeft alweer gesneeuwd, dus moeten de ruiten van de auto sneeuwvrij gemaakt worden.
Vader doet de ene kant en omke de andere kant.
Als omke de auto start beslaat het glas, maar met de blazer erop komt het goed en niet veel later hebben we genoeg zicht om te vertrekken.

De autoradio staat aan, zodat we onderweg ook nog naar kerstmuziek kunnen luisteren.
Vanwege de sneeuwlaag rijdt omke voorzichtig.
Het begint opnieuw te sneeuwen en daarom doet hij de ruitenwissers aan en probeert door die miljoenen sneeuwvlokjes heen te turen.
Opeens trapt hij schielijk op de rem.
“Wacht!” zegt hij en haast zich de auto uit.
Simon probeert te zien wat Feddes aandacht heeft getrokken.
Fedde roept dat hij moet komen helpen.
Hij haalt de sleutel uit het contact, maar laat de koplampen branden.
“Winston, blijf in de auto!” zegt hij kort en spoedt zich naar Fedde, die over iets of iemand gebukt staat.
Hij hoort zijn broer in het Fries vragen: “Jonge, wa bisto?”  
De jongen antwoordt in het Nederlands.
“Ik ben Adam Engelsman, ik moet naar Sipma…”
“Wel wel.. ben je familie van Sipma?”
Hij richt zich tot Simon. “Jouke Sipma woont twee dorpen verderop!”
Hij pakt de jongeman beet.
“Simon, jij aan de andere kant.”
De jongeman kreunt als ze hem overeind proberen te hijsen. Hij is door en door verkleumd en kan wel in shock raken.
“Simon, blijf bij hem, dan haal ik de auto wat dichterbij.”
Simon steekt Fedde de sleutel toe.
Hij denkt: Ik moet hem aan de praat houden en zorgen dat hij niet in slaap valt; want dat lijkt me niet goed.
“Adam, hoe ben je hier gekomen? Heb je pech gehad en moest je ergens je brommer achterlaten?”
“Nee, ik kwam met de trein tot Wolvega, maar er reed geen bus meer, vanwege de sneeuw. Ik kreeg een lift en dacht dat ik het laatste stuk wel kon lopen. Ik ben uitgegleden en kan zelf niet meer overeind komen.”
Voorzichtig komt Fedde naast hen.
“Fedde, Adam is gevallen en kan niet zelf opstaan.”
Fedde komt er bij staan. “Dat doet de kou,” zegt hij. “Adam, vind je het goed dat we jou in de auto zetten?”
en tegen Simon: “Hij moet hier snel weg, hij heeft warmte nodig!”
Het lukt ze hem op de passagiersstoel te sjorren en vader stapt bij mij achterin.

Voorzichtig rijdt Fedde naar huis.
De auto zet hij vlak voor de deur stil.
Tegen mij zegt hij: “Ga jij tante Fiene eens halen!”
Fiene komt mee en ziet wat er aan de hand is.
Onder haar leiding wordt Adam binnengebracht en op de bank gelegd. Het is behaaglijk warm in de kamer.
Gelukkig is de jongeman nog wel bij kennis, maar hij is niet meer zo scherp. Hij ziet lijkbleek en is door en door koud. Tante trekt voorzichtig zijn natte spullen uit en dekt hem warm toe. Moeder maakt een beker thee voor hem, waar ze een flinke schep suiker in doet.
Ondertussen probeert Fedde Sipma te bereiken, maar hij krijgt geen gehoor. Voor de zekerheid belt hij de dokterspost. Er wordt hem gevraagd met de patiënt langs te komen, maar dat weigert hij.
Fedde is bang dat hij onderweg bewusteloos zal raken; hij durft dat risico niet te nemen.
Tante Fiene laat Adam voorzichtig een beetje drinken. Moeder brengt zijn natte spullen naar het washok en zet de wasmachine aan.
Niemand denkt eraan om te gaan slapen.
Fedde probeert te bedenken of hij iemand kent die bij de Sipma’s in de buurt woont. Misschien weten zij hoe hij hen kan bereiken.

Hij gaat bij Adam kijken. “Hoe gaat het nou? Word je al een beetje warm?”
Adam glimlacht zwakjes tegen hem.
Dan vraagt hij: “Adam, wist jouw familie dat je vanavond zou komen?”
“Nee. Ik wilde Wilma verrassen!”
“Oh, dat had heel mooi kunnen zijn.” knikt Fedde.
Hij legt even zijn warme hand tegen het koude gezicht van de jongen.
“Blijf maar lekker liggen. Als je iets wilt, moet je het zeggen.” Adam kijkt alleen maar en zegt niets meer.  

“Misschien kun je de politie bellen,” oppert vader.
“Goed idee!” Fedde doet het gelijk.

Na een tijdje rijdt de politiewagen het erf op.
Fedde ziet ze komen en laat ze binnen.
In de hal legt hij op gedempte toon uit wat hij weet en dan komen de twee agenten mee de kamer in.
De oudste van de twee vraagt aan Adam: “Hoe gaat het jongen? Ik hoor dat je dacht dat hele eind naar Sipma te kunnen lopen? Dat is veel te ver, zeker als het zo koud is. Waar kom je vandaan?”
“Utrecht.”
De agent zegt iets in zijn walkietalkie en knikt Adam toe.
“We gaan ons best doen om je familie op te sporen!”
Tante Fiene biedt de agenten koffie aan met een dikke plak van de tulband.
Met graagte accepteren de agenten. De walkietalkie begint te kraken en de agent luistert en praat erin.

Dan kijkt hij op en kan enige opheldering geven.
“De collega’s hebben de naaste buren gesproken en volgens hen zijn de Sipma’s deze kerst op een korte wintervakantie.
Ze hebben geen adres, maar wisten wel te vertellen dat de Sipma’s voor het weekend zijn vertrokken en dat ze het plan hadden om tweede kerstdag, woensdagavond dus, weer thuis zijn.”
Adam ligt nog steeds stilletjes op de bank en hij reageert niet op de boodschap.
Omke Fedde en tante Fiene kijken elkaar aan.
“Dan kan Adam het beste tot woensdagavond bij ons blijven!” vindt Fiene en omke knikt instemmend.
“Dat is mooi van jullie,” vinden de agenten.
“We houden contact en jullie horen van ons als we meer weten.”
Omke laat de agenten uit: “Nog een gelukkig kerstfeest!”
“Voor jullie ook een gelukkig kerstfeest!” wensen de agenten en even later zien ze de achterlichten verdwijnen.
Simon biedt aan: “Ik kan wel bij Adam blijven en de haard aan de gang houden, dan kunnen jullie gaan slapen.”
“Dank je Simon,” zegt Fedde.
“Zodra ik wakker ben kom ik je aflossen.”

Eerste kerstdag is iedereen vroeg uit de veren.
Adam is opgeknapt en heeft weer kleur.
Gisteravond kon hij zich haast niet bewegen, maar gelukkig gaat het nu beter.
De val van de vorige avond heeft geen schade aangericht, alleen heeft hij pijnlijke spieren door zijn hele lijf.
Volgens tante Fiene kan een lekkere warme douche voor verlichting zorgen.
Moeder maakt het kerstontbijt klaar, terwijl Fiene warme kleding zoekt die Adam zolang aan kan.
De kleren die hij de vorige avond aan had, hangt ze te drogen.
Adam is even lang als omke Fedde, maar dunner.
Een riem biedt oplossing.

Adam is de ster aan de ontbijttafel.
Hij wordt honderduit bevraagd door iedereen.
Totdat mijn moeder ingrijpt en zegt: “Ik vind dat Adam, net als wij, rustig moet kunnen eten.
Als jullie zo doorgaan, krijgt hij geen hap door zijn keel!”

“Goed zo Pien,” zegt tante, “Je hebt groot gelijk!
Adam, jongen, ga maar lekker eten.
Dat kruisverhoor kan best even wachten.”
Met een aanstekelijke glimlach kijkt Adam om zich heen.
“Dank u. Eerlijk gezegd heb ik best wel trek!”

Na het eten willen omke Fedde en mijn vader nog een paar dingetjes weten van Adam.
“Ben je al vaker bij de Sipma’s geweest?” vraagt Fedde.
“Eerlijk gezegd wel, deze zomer nog, maar nooit in de winter!”
“Weten je ouders dat je naar Jouke en Wilma wilde?”
“Nee, dat weten ze niet, want zij zijn naar Curaçao.
Een vriend van mijn vader gaat trouwen, en zij zijn daarbij uitgenodigd.”
“Heb je behalve Wilma nog meer broers of zusters?”
“Nee, er zijn wel neven en nichten geloof ik, maar die ken ik verder niet…”

Fedde knikt en strijkt over zijn kin…
“Heb je gisteravond meegekregen dat je zus en haar man een paar dagen weg zijn?”
“Jullie kregen ze niet te pakken, begreep ik?”
Adam kijkt hem vragend aan.
“We hebben bericht gekregen dat je zus en zwager een paar dagen op vakantie zijn.
Het schijnt dat ze morgenavond weer terugkomen.”
Verbluft kijkt Adam Van Fedde naar Simon.
“Wat nu? Kan ik ergens heen? Is er iets in de buurt…”
“Adam, maak je geen zorgen. Je blijft lekker bij ons.
De helft van je logeerpartij zit er op. Nog maar één nachtje slapen en dan komen ze thuis.”
Opgelucht zucht Adam: “Oh… Dank je wel Fedde! Heel erg bedankt!”
Hij schudt Fedde de hand en daarna Simon!
“Ik weet wat!” zeg ik. Drie paar ogen kijken mij aan.
“Als Adam zijn zus een brief schrijft, dan kunnen we hem misschien met de trekker wegbrengen en bij Sipma in de brievenbus doen… Kan dat omke Fedde?”
“Zeker, dat is een goed plan Winston!” lacht Fedde.
“Vraag Tante Fiene maar om een blocnote!”
“Dan ga ik mijn ogen even dicht doen, want ik heb slaap in te halen,” geeuwt Simon.

Een half uurtje later rijden we door het sneeuwlandschap.
Adam heeft alleen de wrede kant van deze heftige Friese winter gevoeld, maar nu kan hij genieten van het zicht over de maagdelijke witte uitgestrektheid.
Niets beweegt, geen vogel, geen overstekende kat…
IJsbomen staan als verstilde kunstwerken langs de weilanden.
Net als de vorige dag voel ik mij zo opgenomen in de schoonheid van de omgeving, dat ik opschrik als Adam begint te praten:
“Van de zomer toen ik bij Wilma en Jouke logeerde, heb ik daar een meisje ontmoet. Zij logeerde ook op een boerderij, vlakbij mijn zuster. Toen ze werd opgehaald om terug naar huis te gaan, hebben we elkaar beloofd dat we zouden proberen elkaar in de kerstvakantie weer te zien.
Daarom ben ik hierheen gekomen. Misschien is Jikke er nu wel en denkt ze dat ik haar vergeten ben.”
Ik hoor de vraag in hetgeen Adam vertelt. Ik ben nog jong, maar ook al eens verliefd geweest.

“Omke?”
“Ja jongen,”
“Kunnen we bij de buren van Sipma vragen of Jikke daar logeert?”
Adam zegt niets, hij wacht af hoe Fedde reageert.
Fedde toont zijn vrolijke grijns: “Nou, ik kan daar wel even stoppen… dat moeten jullie er maar heen om naar dat meisje te vragen.”
Adam geeft mij een vriendschappelijke por, en als ik opkijk, knikt hij blij en steekt zijn duim op.

De brief is gepost en nu gaan we op zoek naar Jikke.
Bij de eerstvolgende boerderij zegt Adam: “Volgens mij is het nog iets verder…”
“Goed, dan proberen we het bij de volgende,” zegt Fedde en verder gaat het.
“Ik weet het niet helemaal zeker, want alles lijkt anders in de sneeuw; maar deze zou het best eens kunnen zijn,” aarzelt Adam.
“Ga d’r maar op af! Dan zie je het vanzelf!” raadt Fedde.
Ik spring er het eerst uit en het kost wat Adam moeite, want zijn spieren zijn nog stijf.
We lopen naar het woongedeelte op zoek naar een deur met een bel. Adam wijst op het naamplaatje: “Dit is het Winston, kijk Westra, zo heet de oom van Jikke.”
We wachten en dan gaat er een houten zijdeur open en roept iemand: “Wa is dêr?”
“Hallo, ik ben Adam!”
“Wat? Adam?… Jonge, hoe giet it mei dy? Kom d’r in!”
We stappen de schuur in en de boer roept: “Jikke! Kom eens kijken wie d’r is?”
Ik tik de boer op zijn mouw. “Mijn omke Fedde zit in de tractor.” En ik wijs naar buiten.
Hij schiet in zijn klompen en haalt Fedde naar binnen.
Ze hebben het hele verhaal al gehoord.
Dat is die Fedde die een jongeman heeft gevonden in de sneeuw. Hij heeft hem gered en bij hem thuis verzorgd! Nu zijn ze hier en weten ze zeker dat het om Adam ging.
Hoe vaker het verhaal wordt verteld, hoe mooier het wordt.
Jikke komt erbij en ze vliegt Adam om zijn hals.
Adam straalt en Jikke ook. Dan gaat de aandacht weer naar mijn omke, waar ik heel trots op ben!
Hij wordt als een held behandeld. Hij bedankt voor de mooie woorden en dan vindt hij het wel genoeg geweest. Volgens omke zou ieder mens, die Adam daar had zien liggen, geholpen hebben.
We krijgen koffie en moeten een plak kerstbrood eten, voordat de boer ons wil laten gaan.

“Komen jullie morgen bij ons op de koffie?” vraagt omke bij het afscheid aan Westra. “Adam slaapt vannacht nog bij ons en dan kan hij, als jullie dat goed vinden, morgen met jullie mee terug. Morgen komen de Sipma’s thuis, dus dan is hij weer onder eigen volk.”

Ze klimmen in de tractor en worden door de hele familie uitgezwaaid.
Adam is helemaal blij. Niet alleen hij, maar ook Jikke heeft er alles aan gedaan om hèm weer te zien.
“Dankjewel Fedde dat jullie met mij naar Westra zijn gegaan.” zegt hij en dan tegen mij: “Winston, jij hebt het voor mij gevraagd en ook al ben ik ouder dan jij, je bent een echte vriend!”
Dat compliment is voor mij waardevol. Ik hang altijd maar tussen de kleintjes en de volwassenen in, maar nu ben ik toch een treetje opgeklommen.
Met een tevreden glimlach stuurt Fedde de tractor naar huis.
Ze moeten alles vertellen en Adam kan haast niet wachten tot het morgen is.
Zijn kleren zijn zo goed als droog, dus morgen kan hij zijn eigen spullen weer aan.

De volgende dag rijdt en een stijlvolle Mercedes stationwagen het terrein op.
Westra en zijn vrouw Sjoukje hebben hun zoon Johan en nichtje Jikke meegebracht.
Er wordt koffie geschonken en komt allerhande lekkers op tafel. Fiene heeft er bovendien wat extra koekjes bij gebakken.
Het hele verhaal van Adam in de sneeuw wordt nogmaals doorgenomen en omke relativeert het door er grappen over te maken: “Ik hoopte daar een kerstkalkoen te vinden, die Fiene in de oven kon stoppen, maar toen was het Adam…”
Sjoukje wordt door de meisjes meegetroond naar de kerstboom en als ze haar bewondering heeft geuit voor de mooie handgemaakte versieringen, krijgt ze van de meisjes twee kerstengelen mee.

Dan is het zover dat ze afscheid van elkaar gaan nemen.
Adam omhelst Fiene en Pien: “Bedankt voor alles wat jullie voor mij hebben gedaan! Ik zal jullie nooit vergeten!
Fedde en Simon krijgen een welgemeende handdruk: “Ik heb mijn leven aan jullie te danken!”
Dan komt hij bij mij. Ik krijg ook een hand: “Winston, vriend, wij gaan elkaar vaker zien!”
En dat klopt. Het is nu 2025
Adam en Jikke zijn deze winter veertig jaar getrouwd.
Vanaf 1979 hebben we alle familie feesten samen gevierd met de familie Engelsman, de Sipma’s, de Westra’s en onze families…
Die families zijn in de loop der jaren flink uitgedijd.

Adam en ik zijn altijd goede vrienden gebleven!


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *