Twee mannen in witte jassen namen zijn moeder mee.
Zij hielden haar zo stevig vast dat haar lichtgroene mantel aan de achterkant opwipte; boven de bobbelige naden van haar kousen werd een tip van haar onderjurk zichtbaar; iemand had juist nog haar hoed op een rare manier op haar hoofd gezet. Strompelend, zonder kracht om tegen te stribbelen, liep ze zomaar zijn leven uit.
Vanaf zijn zesde groeide hij op bij de tantes, zijn moeders drie ongetrouwde zusters.
Ten opzichte van hem handhaafden zij een strenge opvoeding, met instemming van zijn vader, om hem te behoeden voor karakteriële zwakte, wat het leven van zijn lieve mama zo bezwaard had.
Wanneer hij aan haar dacht en probeerde zich haar gezicht voor de geest te halen, doorstroomde hem een gevoel van verloren liefde. Haar portret werd destijds, toen hij bij de tantes woonde, opgeborgen in een afgesloten kast; om hem te beschermen tegen emotionaliteit.
Zijn vragen over vroeger, toen zij er nog was, bleven in een kille leegte hangen, er kwam geen antwoord op.
Soms bracht een flard muziek of een gebaar van de jongste tante, die het meest op zijn moeder leek, iets van herinnering boven; hij hield dat voor zich, bang dat hem nog meer afgenomen zou worden.
Vaak als hij thuis kwam, tegenwoordig, was zijn vrouw nog niet terug van haar middag-inkopen. Hij hing zijn jas aan de kapstok en legde zijn tas op het gangtafeltje. Door de openstaande deuren links en rechts kon hij de hele woonruimte overzien. Nog was de geur van nieuwe stoffering flauw waarneembaar. De eetkamerstoelen stonden met de zittingen onder het tafelblad geschoven. De boeken in de kast, de ornamentjes en vazen op de vensterbank en het buffet waren symmetrisch, en in het gelid, opgesteld. Het hout van de meubels glansde, het goed gewreven zeil op de vloer weerspiegelde vaag de vormen van de laag-bij-de-grondse dingen. De bladeren van de planten glommen ook. Hij wist dat zij die ’s morgens een voor een afsponsde. In de keuken lag een smetteloos roestvrij stalen aanrecht te wachten, in de slaapkamer het witte vierkant van het bed. Dat er tijd verstreken was tussen iedere thuiskomst, dat het zomer was of winter, viel alleen op te maken uit de aard van het daglicht, uit de tint van de lucht achter de grote ramen. Te oordelen naar de orde in huis bestond er niets dan een onveranderlijk nu en hier. Hij waste zich in de badkamer, tussen blanke tegels en nog blanker email, vouwde met een gevoel van schuld de brandschone rulle handdoek open en schoof de mat zorgvuldig recht. Meestal stond hij een tijdlang in de woonkamer voor het raam; ook nu de dagen korter werden, zonder de lamp aan te doen. Schemering daalde over het braakliggende terrein daar beneden hem, verleende een geheimzinnige onwezenlijke schoonheid, als van een abstracte grafiek, aan de afvalhopen, wildernissen van onkruid en resten van de gesloopte huizen. De zwarte kuilen leken toegangen tot een andere wereld.
Hij keek naar de reusachtige glazen dozen van de flatgebouwen aan de overkant van het veld, en naar de bushalte in de verte, aan de weg die naar de winkels voerde. Steeds minder vaak zag hij zijn vrouw daarvandaan komen aanlopen. Toch vroeg hij haar nooit, welke weg zij toch genomen had. Zodra zij thuis was, ging de tijd verder. De lampen gingen aan. Zij kuste hem op de wang, deed een schort voor, droeg haar boodschappenmand de keuken in. Terwijl zij de tafel dekte, glimlachte zij tegen hem, geruststellend. Die glimlach maakte hem beschaamd, hij wist niet waarom. Hij zei nooit iets tegen haar over het wachten, over de verwondering en het lichte onbehagen, die haar afwezigheid in hem wakker riepen.
Na hun huwelijk waren zij naar dit deel van de stad getrokken. Hier geen chique villa’s maar moderne flatgebouwen. Het veld, dat zich voor hun woning uitstrekte en in de schemering aan schoonheid won, was overdag een rauwe wond, die smeekte om verzorging, om afdekking, om plaveisel.
Hij stelde zich graag voor dat er een park zou komen, met wandelpaden en banken tussen ruim opgezette gazons met bloeiende struiken en bomen rondom.
Als hij voor het raam stond, net als nu, zou zijn vrouw, wanneer zij naar huis kwam, de laan door het park kunnen nemen. Er zouden allerlei mensen zijn; sommigen zouden hun krant lezen op een van de banken, anderen zouden een wandeling maken met de hond en op de gazons zouden kinderen spelen met hun bal. Het zou er blij en vrolijk uitzien en er zou geen dreiging zijn van een verminkt landschap, uit zijn doen gebracht als door een oorlog.
Zijn sombere aard, gevoed door zijn moederloze jeugd, etste van dag tot dag zijn kijk op zijn omgeving; hield het angstig besef in hem overeind dat vooral datgene wat hem het liefste was, hem kon worden afgenomen.
Zijn dromen zaten gekoppeld aan zijn angst, een mengeling van zoet en bitter en zijn vrouw stond er, precies in het midden, bovenop; zij was de kers op de taart…
“We kunnen aan tafel…” .
Hij haakte zich los uit zijn gedachten en schoof haar stoel aan.
De kramp in zijn buik wekte hem.
Zijn hand vond de pijnlijke plek en probeerde door wrijven de pijn te verdrijven. Een nieuwe pijnscheut deed zijn lichaam ineen krimpen en met een ruk trok hij zijn knieën op.
Zijn vrouw, naast hem, kreunde is haar slaap en wierp zich op haar zij.
Behoedzaam, om haar niet wakker te maken, sloeg hij het dek terug. Hij stak zijn benen naar buiten en schoof over de rand; zijn voeten gleden in zijn bruinleren slippers.
In elkaar gedoken doorstond hij een nieuwe aanval, waarbij een golf van misselijkheid hem overspoelde.
Hij nam een hap lucht en strompelde door het duister naar de badkamer, trachtend zijn buik de baas te blijven die golvend en schokkend een eigen leven leek te leiden.
Hij draaide het licht aan; de koele ruimte werkte kalmerend op hem en met een zucht van opluchting bond hij de veter van zijn flanellen pyjama los om zich te ontlasten. De misselijkheid zakte.
Hij realiseerde zich dat hij tegenwoordig vaker geplaagd werd door dergelijke ongesteldheden. Hij stond op en opende het spiegelkastje dat boven de wastafel hing. Het bevatte een doosje aspirine, een flesje hoestdrank en nog iets onbekends, een doosje pleisters en een pot gekleurde wattenbolletjes. Besluiteloos sloot hij het weer.
Hij voelde zich weliswaar nog slap, maar toch zoveel beter dat hij zijn vrouw niet uit haar slaap wilde halen.
Een beker warme melk zou hem wellicht goed doen; misschien zou hij zelf wat kunnen opwarmen.
Hij opende de badkamerdeur en bij het schijnsel dat het licht de gang in wierp, nam hij zijn jas van de kapstok en vond zijn weg naar de keuken.
Nippend van zijn melk ging hij voor het raam zitten. De hemel voor hem was duisterblauw; beneden hem, op de hoeken van de straat, brandden straatlantaarns. Er was niemand buiten.
De melk verwarmde zijn lichaam; hij stond op om zijn beker in de gootsteen te zetten.
De ergste pijn was gezakt; hij drukte zijn handen tegen zijn ogen, tastte naar zijn zakdoek en wiste het zweet van zijn gezicht.
Opeens rilde hij en verlangde naar de warmte van zijn bed.
Hij ging niets tegen zijn vrouw zeggen, want hij wilde haar niet ongerust maken.
Eenzaam en stil lag hij te piekeren; de angst dat hij aan een fatale ziekte leed, kon hij maar niet van zich afzetten. De verantwoordelijkheid voor haar drukte zwaar; een bezoek aan de dokter moest hij niet langer uitstellen.
Met die gedachte viel hij uiteindelijk in slaap.
Zonder dat zijn vrouw het wist nam hij een vrije middag.
Bij de dokter moest hij allerlei vragen beantwoorde.; hij werd beluisterd en beknepen en er werd bloed bij hem afgenomen. De uitslag zou over een paar dagen bekend zijn.
De afstand naar huis bedroeg maar drie haltes, dus het was te lopen, maar hij voelde zich nog steeds niet fit en stapte op de bus.
Vanaf de tweede halte kon hij de flatgebouwen zien. Met een warm gevoel blikte hij vooruit. Ze hadden geboft met hun woning en wat was hij gelukkig met haar.
Juist toen de bus optrok, zag hij haar aan komen wandelen; de boodschappenmand bengelde losjes aan haar hand. Ze zag hem niet en toen de bus bij het kruispunt stopte, kon hij het niet laten om nog eens om te kijken, net lang genoeg om te zien hoe een man zijn armen om haar heen sloeg en haar kuste.
Verbijsterd keek hij weer voor zich. Het besef verpletterde hem.
Eenmaal thuis hing hij zijn jas aan de kapstok en legde zijn tas op het gangtafeltje. Hij waste zijn handen, doch vergat de mat recht te leggen.
Alles leek hetzelfde en toch was alles anders. Hij staarde over het veld dat zijn charme kwijt was en hem brutaal aangrijnsde.
Zijn vrouw kwam thuis en draaide de lampen aan; ze kuste zijn wang en glimlachte dromerig voor zich heen. Ze bond haar schort voor en dekte de tafel.
Hij kon haar niet vertellen dat hij haar gezien had en zij had geen oog voor zijn ontreddering.
Ze vulde de soepkommen en zei: “We kunnen aan tafel…”
Toen zij de pan terugbracht naar de keuken, verwisselde hij in een opwelling de twee soepkommen.
Die nacht werd zij wakker met hevige buikkramp.
——————————————————-


Geef een reactie