Anno 1999
“Meneer, u verliest uw sjaaltje!” roept een attente mevrouw.
De kleine man reageert prompt door van zijn fiets te stappen.
Hij heeft dun grijs haar en een kinderlijk gezicht, waarop een hoopvolle grijns verschijnt.
Hij is gekleed in een wat smoezelige rode blazer met zilverkleurige knopen en een grijze broek en draagt netjes gepoetste zwartleren schoenen.
“Dankjewel,” zegt hij terwijl hij het oranje sjaaltje aanpakt en bij zijn regenjas onder de snelbinder duwt.
Even blijft hij nog dralen, maar de dame wandelt weg met haar hond.
Spijtig, maar toch voldaan klautert hij weer op zijn fiets.
Een eindje verderop gaat hij even van het pad af en wikkelt het sjaaltje zo in zijn regenjas dat er niets meer van te zien is; behalve een oranje puntje.
Wanneer hij opnieuw een wandelaarster passeert, brengt hij zijn hand naar achteren, trekt met een snelle beweging het sjaaltje los en laat het op de grond dwarrelen.
Met gespitste oren fietst hij langzaam verder.
Ze heeft het sjaaltje zeker niet opgemerkt…
Hij stapt af en doet alsof hij zijn veter strikt.
Haar voetstappenklinken nu vlakbij…
“Kijk eens aan, hier is je sjaaltje.”
Haar heldere stem klinkt rustig en vriendelijk.
Blij neemt hij zijn sjaaltje in ontvangst.
“Heb je ver gefietst vandaag?”
Belangstellend kijkt ze hem aan.
Zijn gezicht breekt open in een brede kinderlijke lach.
“Ja… ik denk honderdvijftig kilometer.”
“Dat is een heel eind, dan ben je vanmorgen zeker al vroeg vertrokken?”
“Vanmorgen heb ik ook gefietst,” knikt hij.
Die zomer werd de kleine man tien tot vijftien keer gesignaleerd in het Keppelse bos.
Daarna verdween hij.
Niemand wist waar hij vandaan kwam of waar hij heen ging.
Alleen die ene wandelaarster wist dat hij honderdvijftig kilometer had gefietst om zijn sjaaltje te droppen voor een vriendelijk woord.


Geef een reactie