Het is een prachtige zomerse dag in mei.
De tuin is op zijn mooist, met een verscheidenheid aan weelderig groen waarin voorjaars- en beginnende zomerbloeiers met elkander wedijveren in het voortbrengen van de lieflijkste kleuren en geuren.
Appel- en pruimenbomen dragen vruchten en de late rododendrons staan in bloei.
De wisteria, goeddeels hersteld van een late maar hevige nachtvorst, omlijst de waranda met welig tierende ranken waaruit hier en daar een prachtige helderblauwe bloementros tevoorschijn piept. Daarnaast beslaat een helrode klimroos de muur met aan de andere kant een clematis die, vorig jaar geplant, mij deze keer op negen blauwe bloemen heeft getrakteerd.
Onder de waranda zitten een paar dames, theevisite.
Agnes, met strohoed en wit gerande zonnebril, babbelt er zelfverzekerd op los met een air dat bij voorbaat elke tegenwerping uitsluit.
De beweeglijke Aaltje weet te ontsnappen door mij haar hulp aan te bieden, zodat Carla overblijft om beleefd knikkend Agnes te bevestigen.
Ik rijd de houten serveerwagen hots botsend over de ongelijke stenen naar buiten.
Aaltje plant er het dienblad met kopjes op en haalt de theepot en de schaal met vers gebakken koekjes en cake uit de keuken. Zij zet alles keurig in het gelid.
Terwijl ik de thee inschenk word ik door Agnes geprezen.
Zij vindt dat de tuin, waar ik eerlijk gezegd zelf niets aan gedaan heb, er ‘geweldig’ bijligt.
Peinzend tuurt ze naar de diepdonkere achterzijde van de tuin waar aan de rand van het aangrenzende bos een paar enorme beuken staan, die al generaties geleden moeten zijn geplant. Verrassend zijn de roze en witte bloemen die daar onder de boom in de schaduw uitbundig staan te bloeien…
Op de vraag van Agnes antwoord ik dat het amaeretia’s zijn die ik daar gepoot heb.
Agnes knikt, die kent ze wel…
Aaltje kijkt mij verwonderd aan; maar voor ze iets te berde kan brengen, schuift Agnes haar stoel naar achteren en marcheert de tuin in.
Ze bukt, steekt haar hand uit en schiet dan overeind alsof ze door een wesp gestoken is…
Ze beent terug en komt voor mij staan, duwt haar bril omhoog en kijkt mij verontwaardigd aan. ‘Dat zijn zijdebloemen!’
‘Dat zei ik toch,’ beaam ik, ‘dat zijn amaeretia’s… am me reet sia’s… dat is een grapje…
’Carla schudt haar hoofd en Aaltje giert het uit.
Agnes vindt het ongepast en moet er een beetje thee van drinken…


Geef een reactie