Vriendinnen

Ooit… toen we op de middelbare school zaten, waren we goede
vriendinnen, toen Marleen nog Lenie heette en Henriëtte nog
Hetty was en ik bleef Teddy.

Waarom dat stopte? Het leven kwam ertussen.

Nee, we hebben geen ruzie gehad; tenminste niet van het soort
dat je elkaar nooit meer wilt zien.

Hetty was een leuke meid die, toen zij ging studeren, Henriëtte
werd en uitgroeide tot een beeldschone vrouw.
Tijdens haar studie rechten in Utrecht leerde zij Tobias kennen,
waarmee zij zestien jaar samen bleef.

Lenie, die zich in haar jonge volwassenheid Marleen ging noemen
liep haar Onno tegen het lijf op een feestje.
Onno studeerde techniek in Delft; hoewel dat niet direct in de
buurt van Nijmegen was waar Marleen haar opleiding deed,
bleven ze elkaar zien en ze werden hevig verliefd…
Het was dus niet verwonderlijk dat Marleen in haar tweede
studiejaar zwanger van hem raakte.
Ze kregen samen een dochter, Olga.

Daarom stopte Marleen met haar studie en trok met Onno en
haar dochter in het gastenhuis van haar schoonouders in
Rotterdam.
Bij haar schoonouders was nog steeds Maria in beeld, het
vroegere kindermeisje van Onno, die zich nu met huishoudelijke
taken bezig hield.
Na wat geregel en gemaakte afspraken bleek Maria al te graag
bereid om drie dagen in de week voor Olga te zorgen.

Dat schiep voor Marleen de mogelijkheid om die dagen aan het
werk te gaan als laborante.

Ondertussen was ik aan een hbo opleiding begonnen voor
verpleegkundige in het UMC in Amsterdam.
Dat is een gecombineerde opleiding van leren en werken.

In het begin miste ik mijn vriendinnen, maar ik leerde nieuwe
mensen kennen en ging al gauw helemaal op in mijn nieuwe
bestaan.
Als ik vrij was, ging ik wel eens naar huis, naar ons dorp in de
Achterhoek.
In het begin probeerde ik bij zo’n bezoek contact te maken met
mijn vriendinnen, maar we troffen elkaar haast nooit.
Onze vrije dagen liepen zover uiteen dat het contact verwaterde.

Dat was erg jammer temeer omdat we elkaar bezworen hadden
er altijd voor elkaar te zijn en dat we, wat er ook gebeurde, altijd
beste vriendinnen zouden blijven.

In Amsterdam had Ik het goed naar mijn zin en na mijn opleiding
bleef ik in het UMC werken.
Het vrijgezelle leven paste goed bij mij.
Even buiten de stad had ik een mooi ruim appartement
gevonden, waar ik onbeperkt mijn vrienden kon ontvangen;
kortom.. een gezellig sociaal leven.

De jaren vlogen voorbij.
Ik ging op oncologie werken en op zekere dag liep ik daar
Henriëtte tegen het lijf.

We hadden elkaar zeker in geen tien jaar gezien en toen ik haar
omhelsde drukte ze haar hoofd even stevig tegen mijn schouder,
liet me toen los en schudde haar hoofd.
“Teddy… dat ik jou hier nou tegenkom… ik wist niet eens dat je
hier nog werkte!”
“Ja hoor, ik ging nergens heen…” Het klonk als een liedje.

“Maar vertel… wat brengt jou hier?”
Ik keek haar ernstig aan.
“Het is Tobias… hij heeft een gezwel in zijn pancreas en we zijn
doorverwezen naar dit ziekenhuis om te kijken of er nog iets aan te doen is.”
Ik pakte haar hand en nam haar mee naar mijn kantoor.
“Zal ik een kop koffie voor ons halen?” bood ik aan..
“Ja graag…”
Opeens sprong ze overeind en vroeg: “Kan hij daarvan wel
genezen denk je?”
Met de deurknop al in mijn hand zei ik:
“Lieve Hetty,” ik noemde haar bij haar vertrouwde meisjesnaam;
“ik kom zo bij je met de koffie en dan ga je me alles vertellen en
dan kijken we samen wat ik voor je doen kan…”

In de jaren dat ik in dit ziekenhuis werkte had ik veel leed gezien,
maar het was nooit het mijne, het was altijd andermans leed.
Maar nu, met het verdriet van Hetty, is het anders, dat is ook mijn
verdriet.

Hetty zit tegenover mij aan mijn bureau.
Ik steek mijn handen uit en Hetty legt de hare erin.
“Wil je zelf vertellen of vind je het prettiger als ik je vragen stel?”
Bemoedigend geef ik een kneepje in haar handen.

Tranen lopen langs haar wangen en ze zegt half beschaamd:
“Dit is jouw schuld!”
Ze trekt een hand los uit mijn greep en veegt haar tranen weg.
“Dat komt omdat je te lief bent, en dat maakt mij emotioneel.”
“Lieverd, bij een goede vriendin mag je altijd een traantje laten,
dat is niets om je voor te schamen!”
De koffie is nog warm en ik reik hem aan.
“Laten we eerst maar koffie drinken nu hij nog warm is,” zeg ik.

Hetty zet haar beker neer: “Het begon met een vervelende
buikpijn. Tobias was moe en zijn gewoonlijk zo goede eetlust was
ook weg. Hij had last van misselijkheid, braken en diarree..”
“Je doet het goed, vertel verder,” moedig ik aan.
“Die pijn hield aan en ik wilde dat hij naar de dokter ging, maar hij
werd boos toen ik dat zei. Op een gegeven moment vond ik dat
hij gelig begon te zien en toen heb ik de huisarts gevraagd
om langs te komen.
Dat was nogal confronterend voor Tobias, want hij is altijd die
stoere vent die nooit iets mankeert; en door zijn pijnen en
ongemak te negeren, dacht hij dat het vanzelf wel over zou
gaan.”
Hetty zoekt in haar zakken naar een zakdoek.
Ik reik haar de onontbeerlijke doos tissues aan.
Ze snuit haar neus en hervat:
“Het was gauw bekeken.
Hij moest voor onderzoek naar het ziekenhuis en er was haast bij.”
Hetty slaakt een diepe zucht.
“Een rondje in het plaatselijke ziekenhuis hebben we er al opzitten,
je kent dat wel: bloedonderzoek, een scan, foto’s en daarna de
bittere pil van het slechte bericht en vervolgens zijn we hier
naartoe gestuurd in de hoop dat er nog iets aan gedaan kan
worden.”

“Je hebt het heel duidelijk uitgelegd.
Waar is hij nu? Ligt hij hier op de afdeling?”
“Ik ben wat gaan rondlopen omdat ze hem voor een onderzoek
hebben meegenomen.
Zijn kamer is aan het einde van de gang rechts.”
“Als je het goed vindt, gaan we zo samen naar hem toe.
Je beseft toch dat ik geen uitspraken kan doen voor de uitslagen
van de onderzoeken binnen zijn?”
“Ja natuurlijk, dat is logisch. Daarstraks was ik een beetje uit mijn
doen, maar door jou voel ik me nu een stuk beter!”
Ik knik haar toe. “Zo ken ik je weer.”

We wandelen samen door de gang naar de kamer van Tobias.
Hij is nog niet terug op de kamer.
Het is een tweepersoonskamer die hij, zolang er geen patiënt bij
komt, voor zich alleen zal hebben.
Voor het raam staat een tafel met twee rode armstoelen.
“Hoor jij nog wel eens wat van Marleen?” vraag ik Hetty.
“Heel af en toe. Ik heb haar een keertje gesproken toen ik in
Doetinchem was en een tijdje daarna belde ze.
Weet je dat haar schoonouders zijn verongelukt?”
Ik schud van nee.
“Het was erg, heel erg voor Onno… hij is enig kind en in een klap is hij beide ouders kwijt.”
“Dat is zeker erg, dat wist ik niet. Wanneer is dat geweest?”
“Ongeveer twee jaar geleden dacht ik..”
“Beiden tegelijk… was het een auto-ongeluk?”
“Nee, het was een vliegtuigongeluk… ergens ver weg in Australië
of zo, met zo’n klein ding waarmee ze over de wildernis vliegen.”
“Wat vreselijk!”
“Ze zijn wekenlang vermist geweest…”
“Ik wist het echt niet, bij ons thuis vast ook niet, anders hadden ze
het wel gezegd. Ik ga haar vanavond gelijk bellen.!”
“Ze vertelde wel dat ze nou in die enorme villa van haar
schoonouders woont.
Er was verder geen familie, dus Onno is nu eigenaar, ook van het
bedrijf van zijn vader.”
“Dus hun hele leven is omgegooid!
Als ik haar bel, wil je dan dat ik haar vertel dat Tobias ziek is?
Of vertel je het toch liever zelf?”
“Als jij het doen wilt, dan graag. Soms kan ik er gewoon over
praten, maar het kan me ook zomaar aanvliegen en dan is het
lastig om erover te praten.”
“Het komt wel goed, ik vertel het haar wel.”

Ik stond op. “Ik moet je helaas even alleen laten, want ik heb nog
dienst… Tot straks!”

Ik haastte me door de gang naar het kantoor waar al op mij
gewacht werd.
Ik deed de overdracht en vroeg mijn collega de ronde voor mij te
lopen. Summier vertelde ik haar dat een goede vriend van mij op
onze afdeling was opgenomen.

Toen iedereen weg was uit mijn kantoor, besloot ik gelijk Marleen
maar te bellen, want Hetty en Tobias hadden onze steun nodig:
“Olga de Jong,” hoorde ik aan de andere kant van de lijn.
“Olga, met Teddy, ik ben een vriendin van je moeder…
Is ze thuis? Wil je haar even roepen?”
“Ik zal haar even vragen… Mam! Waar ben je!” galmt het door
het huis. “Er is telefoon voor je!”
Ik kan haar door de telefoon horen aankomen.
Haar klikkende hakjes verraden haar.
“Wie is dat?” vraagt ze.
“Een mevrouw Teddy. Ze zegt dat ze een vriendin van je is…”
“Och wat leuk!” reageerde ze verrast.
Ze nam de hoorn op en riep enthousiast: “Met Marleen! Teddy,
ben jij dat? Wat vind ik dat fijn! We hebben elkaar te lang niet
gezien! Waar zit je, ben je in de buurt? Je staat toch niet voor de
poort he?”
“Nee hoor, ik bel je vanaf mijn werk. Gaat het goed met jullie?”
“Ja joh!… Maar we hebben wel een heleboel bij te praten hoor!”
“Ik heb er iets van gehoord, want ik heb Hetty gesproken.
Zij is de reden dat ik je bel.
Je weet dat ik in het UMC in Amsterdam werk he?
Vanmiddag kwam ik Hetty tegen op de afdeling en ze vertelde
dat Tobias in ons ziekenhuis is opgenomen, op oncologie.
Hij heeft pancreaskanker en dat is ernstig.
Ik dacht dat je het wel zou willen weten….”
“Wat vreselijk! Het is erg dat we alleen nog van elkaar horen als er
iets ergs aan de hand is…”
“Dat is ook niet goed, dat ben ik helemaal met je eens.
Het verleden kunnen we niet veranderen, maar de toekomst wel!”
“We hadden elkaar beloofd dat we altijd vriendinnen zouden
blijven toch?” wist Marleen nog.
“Ja, en zelfs als we elkaar een tijd niet hebben gezien kunnen we
de draad weer oppakken. Dat kan met echte vriendinnen!”
“Ik vind het fijn dat je dat zegt.
Hoe gaat het met Hetty? Logeert ze in een hotel in de buurt?”
“Nee, daar hebben we het nog niet over gehad, maar ik woon
niet zo ver hier vandaan en ze kan bij mij slapen.”
“Ik kom morgen naar jullie toe,”
“Dat is geweldig! Ik ga het tegen Hetty zeggen en ik weet zeker
dat zij heel blij zal zijn dat je komt.
Morgen ben ik vrij, dus je kunt het beste naar mijn huis komen.
Heb je het adres nog?”
“Natuurlijk heb ik dat. Je ziet me morgen tegen koffietijd en dan
gaan we met ons drieën in de stad lunchen en daarna naar het
ziekenhuis. Denk je dat Tobias ons wil zien?”
“Dat merken we vanzelf en wij passen ons aan.
Misschien vindt hij het wel heel fijn dat we er voor ze zijn.
En hij vindt het zeker fijn voor Hetty.”

Ik haastte me terug naar de kamer waar Hetty op mij zat te
wachten.
Inmiddels was Tobias terug op zijn kamer en toen hij mij herkende keek hij keek verrast op.
“Teddy!… Dat is lang geleden! Hetty zei al dat ze je gezien had en
dat jij hier werkt. Je bent niks veranderd!”
Hij stak zijn hand uit.
“Ha Tobias, het is inderdaad te lang geleden!
Maar dat gaat veranderen.”
Ik keek hem ernstig aan. Hij zag geler dan ik had gedacht.
“Hoe gaat het nu met je en hoe is het met de pijn?
Geef het eens een cijfer tussen een en tien?”
“Een vier denk ik.. ja, een flinke onvoldoende,” grapte hij.
“Je weet dat je iets kunt krijgen als het te erg wordt he?”
“Ja, ik krijg paracetamol en zo nodig tramadol.”
Het begon te regenen. “He nee…,” zei Hetty, “Ik dacht nog wel
dat ik lekker relaxed naar huis kon rijden…”
“Waarom kom je niet bij mij slapen, “ opperde ik. “Ik heb ruimte
genoeg.”
De tranen zitten Hetty weer hoog en ik doe alsof ik het niet merk
en doe mijn best om Tobias af te leiden:
“Tobias, vraagje: ik had Marleen aan de telefoon en ze komt
morgen deze kant uit. Vind je het goed dat ze je gedag komt
zeggen of heb je liever geen bezoek?”
“Ik vind het prima dat ze gedag komt zeggen, maar verder niet.”
“Helemaal goed.” zeg ik en kijk naar Hetty.
“Ik ga nu naar huis. Weet je mijn huis te vinden of ga je liever gelijk
met mij mee?”
“Ga jij maar met Teddy mee,” knikte Tobias,
“dan kan ik slapen.”
Hij vatte haar hand en drukte er een kus op.
“Morgen zie ik wel wanneer je komt. Haast je niet, jij kunt ook wel
wat extra slaap gebruiken.”

Eenmaal bij mij thuis maakte ik wat te eten voor ons klaar en Hetty
verdween al snel om slaap in te halen.

Toen ze de volgende morgen de keuken binnenstapte zaten
Marleen en ik al aan de koffie terwijl de croissants in de oven
begonnen te geuren…. Marleen stond op om Hetty te begroeten.
“Heb je lekker geslapen?” informeerde ik, hoewel ik het antwoord
eigenlijk wel wist, want Hetty zag er beduidend beter uit dan de
vorige dag.
“O ja… het is zo rustig hier en wat een lekker bed heb jij voor je
gasten!”
“Natuurlijk heb ik dat,” zei ik.
“Stel je voor dat mijn gasten niet zouden willen blijven omdat ik
rotbedden had… Dat zou toch vreselijk zijn!”
Op Hetty’s gezicht breekt een lachje door.

Marleen zegt: “Wat is dat lang geleden dat we samen waren,
maar nu we weer met ons drieën zijn lijken de tussenliggende
jaren weg te vallen, alsof die niet meer belangrijk zijn.”

“Daar ben ik het mee eens; we pikken de draad op waar hij is
losgeraakt en dan leggen we er een stevige knoop in die nooit
meer los gaat!”
“Dat is heel mooi,” vindt Hetty, “maar nu wil ik ontbijten!”
Ze haalt de baksels uit de oven en schikt ze op een schaal.
Verbaasd realiseer ik me dat ze zich in mijn keuken beweegt alsof
ze nooit anders gedaan heeft.
Marleen voelt zich ook helemaal senang en schenkt nog een
beker koffie in.
Ik voel me rijk dat de vriendinnen van toen de vriendinnen van nu
blijken te zijn.
Wat het leven ook voor ons in petto heeft, we hebben veel om
met elkaar te delen.
En dat is nog maar net begonnen…


Reacties

Eén reactie op “Vriendinnen”

  1. Corrie P avatar
    Corrie P

    Mooi verhaal Corretje!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *