Het telefoontje kwam op de vroege vrijdagmorgen.
De vorige avond was Tilly gevallen en had haar hand bezeerd, naar men dacht verstuikt.
Misschien kon ik even langskomen om haar gerust te stellen.
Omdat onze Tilly het downsyndroom had, woonde ze destijds in een gezinsvervangend tehuis, niet ver van mijn woonplaats.
Zo snel mogelijk vertrok ik, want ik maakte me zorgen.
Tilly had een heel hoge pijngrens en als zij aangaf dat ze pijn had, dan was er echt iets aan de hand.
Toen ik aankwam vond ik haar op haar kamer en ze zag er niet goed uit.
Ze steunde haar gekwetste hand met haar goede en stak ze beiden naar mij uit.
Met mijn koude handen omvatte ik haar gezichtje en kuste de gloeiend hete wangen..
“Tilletje toch!” zei ik. “Wat is er gebeurd? Joke zei dat je gevallen was…”
Tilly sprak niet heel gemakkelijk, vooral niet als ze nerveus was.
“Kijk…” zei ze.
Voorzichtig nam ik haar hand in de mijne.
Ik schrok van de gemene bult die op haar pols zat. “Och, meisje toch! Doet het erg pijn?”
“Gaat wel…” zei ze en keek me ongelukkig aan.
“Ben je bij de dokter geweest?”
Ze schudde ontkennend met korte rukjes haar hoofd.
“Kom maar Tilly, we gaan bij Joke op kantoor de dokter bellen en daarna gaan wij samen naar het ziekenhuis om een foto van je pols te laten maken.”
Ik pakte haar jasje uit de kast en hielp haar met haar goede arm In de mouw.
Om haar onnodige pijn te besparen sloeg ik de rest van de jas om haar heen en maakte de bovenste knoop dicht.
Ik liet Joke de pols zien en vroeg: “Waarom zijn jullie gisteravond niet met haar naar het ziekenhuis gegaan? Moet je eens kijken wat een lelijke bult ze op haar pols heeft… dat doet pijn!”
“Gisteravond leek het nog niet zo erg en ze zei zelf dat het wel ging…”
“Ach Joke…. Jullie kennen haar toch!” zei ik en wendde me naar Tilly. “Hoe gaat het nu Tilly?”
Bedrukt gaf ze haar vaste antwoord: “Het gaat wel…”
Ik gebaarde naar Joke met mijn handpalmen naar boven.
“Hoor je wat ze zegt? Het gaat wel… Tilly zal altijd datgene zeggen wat zij denkt dat jullie het liefste willen horen.”
Ondertussen dacht ik: “Lekker dan… In feite hebben jullie de verantwoording van de zorg bij de pupil gelaten.”
Ik wendde me weer tot Tilly: “Weet je wel waarom je viel, kun je eigenlijk wel goed zien?”
Tilly keek me onzeker aan en zei niets.
Ik wist niets anders als oorzaak te bedenken.
Er waren geen obstakels waardoor ze onderuit kon zijn gegaan…
“Ik zou graag de huisarts willen bellen om een verwijzing voor het ziekenhuis te vragen en ik wil ook haar ogen laten testen.”
Joke keek op van haar papierwerk.
Ik gebaarde naar het telefoontoestel. “Mag ik?”
Tilly mocht niet gelijk naar het ziekenhuis, maar moest haar pols eerst bij de huisarts laten zien.
In mijn ogen deed hij haar onnodig pijn, maar toen mochten we toch een foto laten maken.
Ik sprak mijn vermoeden uit, dat haar val waarschijnlijk was veroorzaakt door slecht zicht.
De arts negeerde mijn opmerking.
Voor we vertrokken vroeg ik hem: ”Mag ik voor mijn zusje een verwijzing voor de oogarts?”
“Nee.” zei hij. “Dat zou geen enkele zin hebben, want er is een wachtlijst van maanden.
Ik ga eerst drie weken op vakantie en daarna kijken we wel verder.”
Tilly en ik gingen naar het ziekenhuis waar de foto werd gemaakt.
Ze had inderdaad haar pols gebroken en die moest gezet worden.
Volgens de verpleegkundige gebeurde dat meestal zonder verdoving.
Ik drong erop aan om haar toch te verdoven en toen kreeg ze een prikje in het gekwetste gebied, wat op zich best pijnlijk was, maar ze gaf geen kik.
Het zetten ging met zogenaamde vingers en de hulp van een sterke broeder die haar bovenarm stevig vasthield en een potig persoon die hard aan haar hand trok, terwijl een arts de botten op hun plaats trachtte te duwen.
Het gezichtje van mijn zusje was in ontzetting verkrampt, ze gilde het uit zonder geluid te maken.
Daarna moest er weer een foto worden gemaakt.
“Als het bot nu niet op zijn plaats blijkt te zitten, wat gebeurt er dan?”
Mijn bezorgde fantasie ging met me op de loop en in gedachten zag ik haar al op de operatietafel liggen.
De arts was een laconieke dame: “Dan doen we het gewoon nog eens opnieuw.”
Gelukkig zat het bot op zijn plaats en kon het gips er omheen.
Toen het klaar was wilde Tilly alle medewerkers dankbaar omhelzen.
Dat viel bij de een wel en bij een ander minder goed.
Ik remde haar af. “Doe dat maar niet Til,”
Ik sloeg mijn arm om haar schouder.
“Kom, we gaan!”
Tilly ging mee naar mijn huis.
Daar installeerde ik haar in een gemakkelijke fauteuil met een kussentje onder haar arm.
We dronken koffie en daarna ging ik de oogarts bellen.
Een aardige assistente hoorde mijn verhaal aan en vroeg mijn telefoonnummer.
De dokter was bezig, maar zij zou van zich laten horen.
Niet veel later belde ze terug met de boodschap dat ik aanstaande maandag met mijn zusje terecht kon.
Toen belde ik Tilly’s huisarts nog maar eens.
Ik vroeg opnieuw om een verwijzing, deze keer omdat de afspraak vaststond.
Toen ik de verwijzing kwam ophalen, werd ik op een heel andere manier te woord gestaan als de eerste keer.
De arts kwam erbij en wilde graag weten hoe ik het voor elkaar had gekregen om zo snel een afspraak te krijgen.
“Tja…” zei ik en bedankte voor de verwijzing en wenste hem een fijne vakantie.
Die maandag ging ik met Tilly naar de oogarts.
In eerste instantie werd het gebruikelijke onderzoek gedaan met oogdruppels en verschillende glaasjes voor het oog.
Op elke vraag van de dokter antwoordde ze dat ze goed kon zien, want hij was een aardige man en die wilde ze blij maken.
“Heb je verteld dat je kunt lezen Tilly?” vroeg ik, want misschien kon dat helpen bij dit toch wat lastige onderzoek.
“Dat is heel knap van jou Tilly,” vond de dokter. “Wat lees je zoal?”
“De NCRV-gids en de bijbel.”
“Zo… dat is niet zo gemakkelijk; daar staan moeilijke woorden in.”
Hij rolde zijn stoel achteruit.
“Nu gaan we je ogen op een andere manier meten en dan weet ik precies wat ermee aan de hand is en dan gaan we ervoor zorgen dat je weer net zo goed kunt lezen als vroeger.”
Mijn zusje had vergevorderde staar aan beide ogen en was bijna blind zonder dat iemand dat in de gaten had gehad. Ik ook niet.
Niet veel later werd ze geopereerd, eerst aan het ene en later aan het andere oog.
Toen ik haar het weekend daarna ging ophalen, riep ze toen ze het bord met de plaatsnaam van ons dorp zag:
“Daar staat Laag Keppel!” En ze klapte enthousiast in haar handen…
Mijn man heeft de hele avond ook plezier gehad, want ze kon het niet laten om telkens de ondertiteling van de televisie voor te lezen…
————————————————————————————————————————————–


Geef een reactie