Anno 2000
Voor ik de telefoon opneem kijk ik op de nummerweergave.
“Goedemorgen Philip, wat ben je vroeg; ben je al uit bed?”
“weet je hoe koud het hier is? Twaalf graden,” zegt hij met dikke stem.
“Hoe kan dat nou, is de verwarming stuk?”
“De verwarming zet ik nooit aan, dat kost geld,” doet hij dramatisch.
“Onzin, je hoeft niet in de kou te zitten.”
“Weet je wat ik ontdekte toen ik gisteravond in bed stapte?”
“Nee…”
“Dat iemand de stekker van mijn waterbed eruit heeft getrokken.”
“Nee toch, wat flauw! Heb je met die kou in dat kouwe bed geslapen? Je
kunt wel ziek worden!”
“Dat valt wel mee. Ik heb op zolder mijn slaapzak opgezocht en ben
daarin gekropen; en het dekbed heb ik om mij heen gerold.”
“Waarom ben je niet gewoon thuis komen slapen?”|
“Het was al laat en ik wilde niet storen.”
“Je hebt toch een sleutel, je had zo op je oude kamer gekund; je bed staat
altijd klaar.”
“Weet ik wel, maar nee… ik heb de verwarming toen wel aangezet hoor.”
“O, gelukkig… heb je enig idee wie het gedaan heeft?”
“Alleen Ruud was gisteren hier.”
“Papa? Dat geloof je toch zelf niet, dat zou hij nooit doen!”
“Nee, natuurlijk denk ik dat niet, maar… waar is ie eigenlijk?”
“De hond uitlaten.”
“Ik wou hem vragen of er gisteren iemand boven is geweest.”
“Waar was jij dan gisteren?”
“Ik moest weg, gewoon…”
“Ja ja… Is Chantal misschien geweest?”
“Ja, maar dat was dinsdag al, dus zij was het niet.”
“Ze kan met het stofzuigen toch per ongeluk achter het snoer zijn blijven
haken?”
“Dat geloof ik niet.”
“Denk je dat het een geintje van iemand is?”
“Ik weet het niet, ik zal Ruud eens bellen.”
“Doe dat maar niet, laat hem alsjeblieft rustig wandelen. Ik vraag hem
wel jou te bellen als hij weer terug is.. O, wacht even, daar komt hij net
aan.”
Ik houd de telefoon omhoog voor het raam en beweeg met mijn lippen
het woord “telefoon!”, maar hij maakt geen haast.
Eerst wordt de poes geaaid die op de tuintafel zit en de andere poes, die
langs zijn benen strijkt, wordt opgenomen en mee naar binnen gebracht.
“Lieve Poespoes he? Ze is braaf en ze krijgt wat lekkers van de baas.”
“Schiet nou op, er is telefoon voor je,” doe ik ongeduldig.
“Wie is dat dan?”
“Philip,”
“Geef maar hier! Waarom bel je zo vroeg?” Zo lief en geduldig als hij tegen
de poes klinkt, zo kortaf is hij tegen onze zoon.
“Ook goeiemorgen,” zegt Philip gemoedelijk.
“Ja, wat moet je nou zo vroeg?”
“Iemand heeft de stekker van zijn waterbed eruit getrokken!”
Ik kan het niet laten mij ermee te bemoeien.
Met een korte slaande beweging van zijn hand gebaart mijn echtgenoot
dat ik me erbuiten moet houden.
Ik weet dat er nu een nummertje van de familie top tien gaat afgedraaid
worden en pesterig wieg ik mijn hoofd op de denkbeeldige maat.
“Jullie jongelui zijn niks gewend, dat is het,” vangt hij aan.
Ik voel een brede grijns opkomen.
Terwijl ik overdreven ja knik, gaat hij verder:
“Vroeger, toen ik jong was, stonden ’s winters de bloemen op het
behang!”
Met de hoorn aan zijn oor kijkt hij mij aan en schudt zijn hoofd.
“Geert is boven geweest,” herinnert hij zich opeens.
“Bel hem maar.”
De telefoon wordt uitgezet en op tafel gelegd.
Hij haalt diep adem om mij bestraffend toe te spreken, maar glimlacht
opeens.
“Wat ben je toch een druppeltje,” zegt hij.
“ Een druppeltje parelend op een oude wollen deken in een koude kamer
met ijsbloemen op het behang?” vraag ik geïnteresseerd.
“Dat waren pas Spartaanse tijden, dat moet je toegeven.”
“Dat doorgezakte ijzeren ledikant met die eenpersoons elektrische deken
in het midden en wie het minste bewoog kwam onder te liggen.”
Beschreef ik verder zijn onverwarmde kamer in Friesland met de enkel
steens muren…
“Zo verkeerd was dat toch niet? We kropen gewoon lekker dicht tegen
elkaar aan.”
“Lepeltje lepeltje…” zeg ik mijmerend.
Ruud slaat zijn armen om mij heen. “Toch ben je mijn druppeltje…”
“Op de deken?” vraag ik nog eens.
“Een druppeltje in mijn hart,” zegt hij en dat vind ik zo romantisch, daar
krijg ik het koud van.


Geef een reactie