Voorjaar 2026

Het is een mooie voorjaarsdag, de derde op rij, met een prachtige blauwe lucht en een stralende zon.
Echt een dag om lekker van de frisse buitenlucht te genieten en rond te rommelen in de tuin.
Even wordt mijn fijne gevoel verstoord door het gillende geluid van een motorfiets.
In het wegstervende lawaai nemen de omgevingsgeluiden het weer over…
Het hek kraakt en Mark, een van Wiebes vrienden, verschijnt.
“Hier wordt gewerkt, zie ik…” Hij gaat op de houten bank zitten.
“Wat fijn dat je komt helpen!” plaag ik.
“Ik wil even met je praten. Kan dat?”
Ik haal mijn schouders op. “Jawel… Waar gaat het over?”
“Over Dani. Zie jij haar wel eens?”
“Dani? Als ze met jou meekomt… Hoezo?” Peilend kijk ik hem aan.
“Heb je wel eens gemerkt…” hij breekt zijn zin af en ademt diep door voordat hij verder gaat. “Ik heb het gevoel…” hakkelt hij en kijkt me ongelukkig aan.
Ik sta nog steeds vóór hem met een schepje in mijn hand.
“Weet je wat? Kom mee naar binnen; dan maak ik koffie en dan ga jij me vertellen wat zo zwaar op je maag ligt.”
Mark zit tegenover mij en drinkt met kleine slokjes de hete koffie.
Ik zit tegenover hem en wacht…
Aangeslagen kijkt hij mij aan: “Ik denk dat Dani vreemdgaat. Heb jij daar ooit wel eens iets van gemerkt? Je hoort weleens dat de echtgenoot het altijd als laatste in de gaten heeft… en in het omgekeerde geval de echtgenote.”
“Waarom denk je dat Mark? Je vraagt dat aan mij, maar zou je dat niet beter aan haar kunnen vragen?”
“Stel dat je zoiets over Wiebe zou horen; hypothetisch hè… Zou je dan zijn vriend, mij dus, niet vragen of ik daar wat vanaf weet?”
“Nee Mark, daar kan ik me niets bij voorstellen; mijn Wiebe… nee, dat geloof ik nooit. Ik zou denken dat het een roddel was.”
Mark is nerveus gespannen; met zijn zakdoek dept hij zijn klamme voorhoofd en zijn zweterige handen veegt hij af aan zijn broekspijpen.
Hij komt half overeind en vist een envelop uit zijn zak die hij stevig vasthoudt, terwijl hij er met zijn andere hand tegenaan priemt: “Déze envelop vond ik in mijn brievenbus! En er zit een briefje in mèt een paar foto’s… Kijk zelf maar!”
Ik neem de enveloppe aan en open hem.
Allereerst bekijk ik de foto’s; één waarop te zien is dat een man, die in de verte op Wiebe lijkt, in een auto achter het stuur zit. Daarnaast zit, beter herkenbaar, Dani.
Op de volgende foto leunt ze met haar hoofd tegen zijn schouder.
Foto nummer drie laat zien dat ze in Oostenrijk zijn, want naast de wegrijdende auto is het bord Mayrhofen te onderscheiden.
De kwaliteit van de foto’s is niet geweldig.
Ik ben niet verbaasd of geschrokken, want ik interpreteer de foto’s anders dan Mark.
Ik vouw de brief open. Er staat geen datum op.
Zonder aanhef staat er in dikke zwarte letters:

Op tijd geleverd.

Je weet wat je moet doen!

“Wat een rare brief!” zeg ik.
“Mag ik hem hier houden? Dan laat ik hem aan Wiebe zien.”
Mark haalt brief en foto’s naar zich toe en schudt zijn hoofd.
“Ik weet nog niet wat ik ermee moet, maar ik neem hem weer mee.” “Laat mij dan een kopietje maken!” dring ik aan.
Aarzelend steekt hij mij de envelop toe.
“Goed dan. Dat zal wel geen kwaad kunnen.”
Ik neem hem aan en bekijk hem aan beide zijden:
“Er staat niet op voor wie de brief bestemd is… misschien is hij wel voor Dani bedoeld.”
Ik loop naar mijn kantoor.
De brief en foto’s passen op twee A4’tjes.
“Oké Mark. Ik zal Wiebe de brief èn de foto’s laten zien. Wat mij betreft mag je gerust langskomen als hij straks thuiskomt.
Dan helpen wij je onzekerheden de wereld uit.”
In de deuropening knikt Mark mij goedendag.
“Als ik jou was, zou ik Dani vragen of zij iets weet over dat rare briefje en die foto’s!” roep ik hem na.
Ik bekijk de foto’s nog eens en pak de loep erbij. Dat haalt niet veel uit. Enfin, ik hoor straks vanzelf wel wat Wiebe te vertellen heeft.

Mijn fijne gevoel is weg.
Met die stresskikker van een Mark erbij, zal ik me nooit laten kennen, maar ik ben het met hem eens dat dit een rare zaak is.
Wiebe is vaak voor de fabriek op pad; meestal naar Duitsland.                   Deze foto’s zijn in Oostenrijk genomen. Ik vind het prima dat hij daarheen gaat; maar waarom dat stiekem moet snap ik niet.
En hoe Dani daarbij betrokken is al helemaal niet…
Of wìl ik het niet begrijpen? Steek ik mijn kop in het zand?

De tuin lokt niet meer.
Ik kleed me om en bel Jans om samen te gaan lunchen.
Met haar kan ik alles bespreken. Wat ik haar ook vertel, mooi of lelijk, ze zal nooit misbruik maken van vertrouwen.   
Jans is er al. Haar aanwezigheid is niet te missen. Ze staat op zodra ze mij ziet en steekt haar hand op.
“Wat fijn dat je belde!” knikt ze. “Het leek wel telepathie, want ik zat juist aan jou te denken. Het is te lekker buiten om binnen te blijven hangen.”
Jans kent mij goed; ze voelt dat ik iets kwijt moet.
“Ik was in de tuin bezig toen Mark opeens voor me stond.”
“Mark? Welke Mark?”
“Van Eerten, je weet wel, die vriend van Dani.”
“Oh… die Mark… Ja, ga door…”
“Hij vroeg aan mij of ik Dani nog wel eens zag. Eerlijk gezegd zou ik niet weten waarom, want ze komt uit zichzelf nooit bij ons. Alleen als Wiebe hen uitnodigt voor een etentje komt ze mee.”
Ik val stil waarop Jans vraagt: “Was dat het?”
Ik kijk haar aan en zie dat haar ogen lachen.
“Nee, dat was het voorspel.”
De dienster zet de koffie neer.
“Welja, maak het maar spannend,” grinnikt Jans. “Kom op, vertel nou maar wat je kwijt moet.”
“Helemaal uit het niets kwam hij er opeens mee dat hij Dani verdenkt van vreemd gaan en wilde weten of ik daar wel eens iets van gemerkt heb. Als er iets speelt, volgens hem, weet iedereen ervan en in zo’n geval hoort de echtgenoot het als laatste.”
“Dani hè? Nee… Volgens mij heeft ze dat niet in zich. Ik kan me niet voorstellen…”
Ik haal de gekopieerde inhoud van de brief uit mijn tas en onderbreek haar:
“Ja… en toen vroeg hij of ik, als ik Wiebe van vreemdgaan zou verdenken, aan hem, Mark, zou vragen wat hij ervan wist. Dat deed ik af als roddelpraat, omdat Wiebe dat nooit zou doen.”
Ik reik haar de kopie aan van het briefje en de foto’s.
“Toen gaf hij me een envelop met dit briefje en die drie foto’s. Dit zijn kopieën, want hij wilde het origineel terug hebben. Bekijk jij die foto’s eens…”
“Daar zet ik mijn bril bij op.” Nauwgezet laat ze haar blik over de foto’s glijden, kijkt mij aan en schudt haar hoofd.
“Wat ik hierin zie is dat Dani, of een vrouw die op haar lijkt, bij een man in een auto zit met een Oostenrijks nummerbord. Dat briefje vind ik raar en daar word je niks wijzer van. Die foto’s kunnen wel van vijf jaar of nog langer geleden zijn. Stond er niets op de envelop? Een stempel of zo?”
“Nee, helemaal niks.”
“En wat zegt Dani ervan?”
“Zij weet van niets. Hij heeft het alleen tegen mij gezegd en denkt gelijk het ergste.”
“Nou, een lekkere echtgenoot is dat. Een gemankeerde grapjas gooit een anonieme envelop in zijn brievenbus, met een paar onduidelijke foto’s en een stom briefje erbij… en wat doet hij? Hij valt gelijk zijn vrouw af en brengt dat naar buiten.”
Jans trommelt met haar vingers op de tafel.
“Stel dat die envelop bij jòu in de brievenbus lag… wat zou je doen: Gelijk naar een figuur als Mark rennen om je man zwart te maken of wacht je tot Wiebe thuiskomt.”
Jans legt haar hand op de mijne.
“Nee, jìj schenkt wat lekkers voor hem in en legt de envelop erbij. Terwijl jij staat te koken, kan hij die plaatjes bekijken en daar een spannend verhaal bij bedenken…”
Opgelucht realiseer ik me: Dit is echt Jans, die weet met haar humor iets alarmerends zo te relativeren dat we er later om moeten lachen.
“Jans, ik ben zo blij met je. Volgens mij had ik je trouwens voor een lunch uitgenodigd.”

Als ik heb afgerekend, gaan we samen de stad in. Jans is op zoek naar een zomerblazer en ik wil schoenen.
We halen een ijsje en vinden een leeg bankje in het stadspark.
Daarna nemen we afscheid en ik beloof Jans op de hoogte te houden van de strapatsen in mijn omgeving.

Wiebe is al thuis.
“Waar was je?”
“Ik ben op stap geweest met Jans. We hebben geluncht en bijgepraat en toen zijn we de stad nog even in geweest. Kijk dan?”
Ik houd mijn schoenen omhoog.
“Goed gedaan! Mooi!” zegt hij en gaat verder:
“Ik heb de post uit de brievenbus gehaald en moet je zien wat een rare brief erbij zat. Kijk eens of jij weet wie dat zijn?”
Ik voel een kleur opkomen.
“Dat is vast net zo’n brief als waar Mark mee kwam.” zeg ik.
Ik steek mijn hand uit en herken gelijk de blanke enveloppe zonder opschrift… net zo een als Mark mij liet zien.
Hij bevat dezelfde foto’s en ook zo’n brief.
“Wiebe, ik moet je wat vertellen. Ik denk dat iemand een geintje met ons uithaalt. Vanmorgen kwam Mark hier, met net zo’n brief.”
“Mark? Hoezo Mark? Weet hij wie er op die foto’s staan?”
“Dat zal ik je vertellen, hij heeft Dani herkend en meende in die man jou te herkennen.”
“Mij? Die Oostenrijker, denkt hij dat ik dat ben?” Wiebe is verbaasd.
Daar lijk ik toch niet op mag ik hopen!” doet hij verontwaardigd.
“Welnee joh, jij bent veel knapper!
Weet je wat? Ik maak iets te eten, en dan bel jij ondertussen Mark of hij al meer weet. Als zij degene is die op die foto’s staat, hoor je het vanzelf.”
Even later schuift hij bij mij aan de keukentafel.
“Die Mark is helemaal opgefokt en in alle staten omdat Dani nog niet thuis is. Ik begrijp er niks van. We konden het altijd zo goed vinden. Hoe kan hij nou denken dat ik wat met Dani wil terwijl ik jou heb… ik moet er niet aan denken!”
“Zei hij dat? Dat jij met haar eh…”
“Ja, dat zei hij ronduit! En hij schold mij uit. Ik zal maar niet herhalen wat hij eruit kraamde…”
“Trek het je niet aan. Hij was vanmorgen al overmatig gestrest, en hij heeft het de hele dag steeds maar groter gemaakt in zijn hoofd.
Vaak zijn het kleine dingen die grote gevolgen hebben. Ik heb nog steeds het gevoel dat het een practical joke is of, beter gezegd, een of ander rotgeintje.”
Ik zet de borden op tafel.

Na het eten besluit Wiebe bij Mark langs te gaan en als Dani er inmiddels is, haar ook aan te spreken.
Niet veel later is hij terug. Enigszins ontdaan vertelt hij:  
“Er staat een politiewagen bij hen op de oprit. Er zijn twee politiemensen bij hem en Mark zit met zijn hoofd in zijn handen. Dit leek me niet het juiste moment om naar binnen te gaan.”
Ik zet koffie.
“Over een uurtje ga ik kijken of ze weg zijn.” zegt Wiebe.
Zover komt het niet, want een klein uurtje later horen ze een roffel op de deur.
Wiebe doet open en daar staat Mark.
“Wiebe, kerel, ik schaam me kapot! Ik ben een klootzak!
Het is vreselijk wat ik allemaal naar je kop heb geslingerd!
Ik weet dat die foto’s niks met jou te maken hebben en…”
Wiebe slaat een arm om hem heen in een poging om hem te kalmeren.
“Wat er ook aan de hand is, je weet in ieder geval dat Dani en ik er niks mee te maken hebben.” tempert hij.
“Jij niet nee, maar Dani wel!”
“Dani is door de politie opgepakt.”
“Wat?” Wiebe is verbijsterd. “Waarom dan, wat is er gebeurd?”
“Het is een heel verhaal:
 Jullie weten dat Dani bij een internationaal farmaceutisch bedrijf werkt als receptioniste?” We knikken bevestigend.
“Ze ontmoet daar veel relaties, met name uit het buitenland.
Een week of acht, negen geleden werd ze benaderd door een Oostenrijker, die haar vroeg een pakketje levensreddende medicijnen voor zijn dochtertje mee te geven met de volgende zending naar Oostenrijk.
Nu was er geen zending naar Oostenrijk, maar omdat het voor dat kleine meisje van levensbelang was, besloot Dani de medicijnen zelf te gaan bezorgen. Toen zij op het adres aankwam, bleek het geen woonhuis te zijn, maar een soort loods.
Ze vertrouwde het niet en vertrok direct naar haar hotel.
Waarschijnlijk is ze bij die loods gespot en vandaar gevolgd. In het hotel kreeg ze bezoek van die Oostenrijker, die zich verontschuldigde omdat een werknemer geblunderd zou hebben met het doorgeven van het adres. Die loods was een opslagruimte.
Hij vroeg haar hem het pakketje te overhandigen en nodigde haar uit om mee naar zijn huis te gaan, zodat zijn vrouw en dochtertje haar konden bedanken. Ze geloofde hem en ging mee. Toen zijn waarschijnlijk die foto’s gemaakt. In dat huis heeft ze geen kindje gezien, maar wel een vrouw. Ze vroegen haar het hemd van het lijf en toen ze argwaan kreeg, heeft ze jullie adres genoemd. Niet omdat ze jullie ergens bij wilde betrekken, maar in de hoop dat ze haar niet konden traceren wanneer haar adres niet klopte. Nu ze eenmaal een pakketje had afgeleverd, lieten ze haar niet meer los.”
“Drugs? Bedoel je dat ze drugs…?”
“Ja. Drugs. Haar goedheid bracht haar de eerste keer naar Oostenrijk, omdat ze te doen had met een doodziek meisje. Een meisje dat hoogstwaarschijnlijk niet bestaat.
Al gauw hadden ze volledig grip op haar omdat ze dreigden haar moeder iets aan te doen als ze weigerde.
Sinds die tijd gaat ze wekelijks naar Oostenrijk om een pakketje af te leveren. Deze keer is ze bij de grens opgepakt.
Gelukkig is ze zo verstandig geweest om gelijk openheid van zaken te geven. De politie is op zoek naar die Oostenrijker en zijn vriendin. Ze heeft het niet voor het geld gedaan, want ze kreeg alleen de reis en een slaapplek vergoed.
Ze wordt nu vastgehouden op het politiebureau en ik weet niet wanneer ze naar huis mag.
Hopelijk worden haar motieven op waarde geschat. De eerste keer was het haar goedheid die haar dreef en de latere keren de angst dat haar moeder iets zou worden aangedaan.”
Wiebe haalt een fles Whisky tevoorschijn en vult drie glaasjes.
Voor hij een glas aan Mark overhandigt vraagt hij: “Moet je vanavond nog naar het politiebureau?”
“Nee, ik ga er morgen heen.”
Hij geeft het glas aan Mark en ik pak er ook een.
“Proost! Op een goede afloop!” zegt Wiebe en daar gaan we in mee. Na de borrel gaat Mark naar huis.
Ik ben blij dat hij weg is, want het was me het dagje wel.
Wiebe gaat het nieuws kijken en ik bel Jans.
”Kind, het lijkt wel een film!” roept ze.

Drie dagen later komt het bericht dat de Oostenrijker en de vrouw zijn opgepakt. Diezelfde avond wordt Dani vrijgelaten.

Het mooie weer is omgeslagen. Het is koud en regenachtig.
Dani is weg bij het bedrijf waar ze jaren heeft gewerkt.
Met de smet van drugssmokkel op haar naam, kan ze niet gehandhaafd blijven.
Ze is er niet blij mee, maar het feit dat ze uit de klauwen van die drugshandelaars is bevrijd, maakt veel goed.
Er hangt haar nog een rechtszaak boven het hoofd, maar gezien de omstandigheden kan wellicht criminele uitbuiting worden aangetoond.

Als Dani een week thuis is, komt ze bij mij de tuin in om een praatje te maken.
Mark is er niet en ze voelt zich eenzaam. Een beetje schichtig vraagt ze of ze mijn tuin mag bekijken.
Ik kom haar hartelijk tegemoet, want ik heb met haar te doen.
Zij is een gevoelige vrouw met een zacht karakter.
We gaan rond en ik vertel haar over de planten. Zij en Mark hebben geen echte tuin.
Ik leg haar uit dat ik in de tuin mijn energie kwijt kan, maar dat hij me ook energie levert.
“Jullie hebben grond genoeg om ook een stukje tuin te maken,” raad ik vriendelijk aan. “Als je het leuk vindt, wil ik je er best een beetje mee helpen.” Ik wijs op zaadkoppen van de bloeiers van het vorige jaar. “Kijk, die zaadkoppen knippen we weg en dan gaan die planten opnieuw bloeien. “
Ik reik Dani een snoeischaar aan. “Als je mij helpt met knippen, dan gaan we daarna koffiedrinken.” Ik glimlach tegen haar.
Ze kijkt naar mij, een buitenvrouw in een oude spijkerboek met laarzen aan… en dan glijden haar ogen over haar eigen smetteloze outfit.
“Als je het jammer vindt van je goeie kleren, heb ik wel een schort voor je…” bied ik aan.
Ze knikt en ik haal de schort.

Ik had nooit verwacht dat we zo’n goed contact zouden krijgen.
We leven ons uit in de tuin en stropen kwekers af en hebben allebei een heuse tuinoutfit aangeschaft.
Bovendien gebruikt Dani handschoenen èn ze draagt een hoedje…


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *